Vallen
24 november 1991: een Zwarte Zondag. Ik vier mijn dertiende verjaardag wanneer het Vlaams Blok zijn eerste grote winst boekt. Ik ben aangeslagen zoals alleen een dertienjarige geraakt kan worden: verontwaardigd, op een intuïtieve, volslagen onbeargumenteerde manier. De opkomst van het Vlaams Blok, de discussie rond het cordon sanitaire, rechts-extremisme, het bruine denken… Het is tegen die grotere politieke achtergrond dat de petites histoires van mijn leven als middelbare scholier zich afspelen. Al spreekt hier natuurlijk vooral de terugblikkende dertiger.
Het is rond die verkiezingen dat Anne Provoost aan Vallen begint (het boek verschijnt uiteindelijk in 1994). Op dat ogenblik is er van het extreemrechtse thema waarvoor de adolescentenroman later zal worden geroemd nog geen sprake. In een interview met Tilly Stuckens voor De Standaard vertelt Provoost dat ze zich vaak de gruwelijkste scenario’s inbeeldt, om zo het gevaar te bezweren. De eerste versie van Vallen vertrok van zo’n scenario: “Wat zou ik doen als mijn echtgenoot in een brandende auto zat en ik hem enkel kon bevrijden door hem te verminken?” Verder zat er ook al een verhaallijn over een kleinzoon en zijn overleden grootvader in, maar hoe die twee met elkaar verweven waren, werd toen voor haarzelf niet duidelijk. Haar moeder vond het manuscript bovendien niet goed. Reden genoeg voor Provoost om het op te geven.
Pas een jaar later nam ze de draad weer op. Plots zag ze hoe grootvader en kleinzoon met elkaar verbonden konden worden door een fout oorlogsverleden te koppelen aan de hedendaagse migrantenproblematiek. De grootvader krijgt een naam: Felix Stockx. De vijftienjarige kleinzoon ook: Lucas Beigne.
Die laatste brengt zoals elk jaar, dik tegen zijn zin, met zijn moeder de zomer door in het fictieve Montourin, in het huis van zijn pas overleden grootvader. Het wordt een broeierige zomer die bol staat van geheimen. De onzekere Lucas ontmoet de rechtlijnige, charismatische én neonazistische Benoît en de mooie, zelfbewuste danseres-in-wording Caitlin.
In De Morgen vertelt Provoost dat ze Caitlin “misschien een klein beetje kunstmatig” als een gezond tegenwicht opvoerde omdat haar redacteur vond dat Benoît (die Lucas met zijn mooipraterij in terroristische activiteiten betrekt) té aannemelijk klonk. Met dat ‘kunstmatige’ valt het wel mee, vond ik, ook bij herlezen. “Niemand is hier helemaal held, helemaal sukkel of helemaal schurk”, zo vat Annemie Leysen het mooi samen in Ons Erfdeel. Ook Helma van Lierop-Debrauwer betoogt in Literatuur zonder Leeftijd dat het om levensechte personages gaat wiens tegenstelling in karakters mooi genuanceerd wordt. Zo wordt Caitlin niet alleen aangetrokken door Lucas’ kwetsbaarheid maar geeft ze ook toe dat ze “geweldig verliefd” op de intelligente Benoît zou kunnen worden.
Vallen omschrijven als een geëngageerd boek met een boodschap zou de roman enorm tekort doen. Dat heeft alles met de stijl te maken (die is van een zinderende zintuiglijkheid waarin aan oren, ogen en reukzin is gedacht) maar vooral ook aan de uitgekiende structuur (die overigens indrukwekkend werd geanalyseerd door Jet Marchau). In Stem der Vrouw vertelt Provoost over haar ervaring met het eerder verschenen Mijn tante is een grindewal, het eerste oorspronkelijk Nederlandstalige jeugdboek over incest. Sommige lezers dachten zich aan het boek te ergeren, terwijl ze zich eigenlijk aan het vreemde hoofdpersonage stoorden. Alleen diegenen die doorlazen tot het einde zagen Tara’s gedrag verklaard. Dat vond Provoost een euvel: “Er zou in het boek een interne stuwkracht moeten zitten waardoor ook een jongere blijft lezen.”
Daarom opent ze Vallen in het heden met een intrigerende, thrillerachtige teaser. Danseres Caitlin komt terug van het ziekenhuis met een geamputeerde voet en daar heeft Lucas iets mee te maken. Meer details zijn er niet, maar de pionnen zijn uitgezet. Je wil weten hoe ‘schuldig’ Lucas is, wat de gevolgen zijn voor de vriendschap tussen de twee, en begrijpen hoe het zover is kunnen komen.
Zijn verhaal doet Lucas in de ik-vorm, in één lange flashback: “Ik probeer me het allereerste begin te herinneren en ik besef dat ik daarvoor terug moet in de tijd, naar de voorbije winter”. Daarmee verwijst Lucas naar het overlijden van zijn grootvader en hoe hij toen pas merkte hoe geheimzinnig er gedaan werd over diens verleden. Maar gaandeweg ontdekt hij dat het begin veel verder terug in de tijd gaat dan de dood van zijn grootvader. Overigens drukken de daden van Lucas’ grootvader nog steeds hun stempel op het heden en blijkt diens schuld moeilijk in te lossen:
“In Falling, the nature of guilt, both public and private, is intimately tied to the act of remembering and thus to the nature of human relationships formed in the present. The only way to deal with such terrible and complex memories is to translate them into the present and move forward. (…) Provoost suggests that children can certainly take possession of that past and move forward, but that the past defines them just as much as the present.” (Lisa Sainsbury)
Het einde laat min of meer in het midden of Lucas en Caitlin daarin slagen. Ondanks dat onaffe – daar hield ik als zestienjarige niet van – was Vallen een van mijn favoriete boeken. Wellicht omdat het mijn intuïtieve verontwaardiging over Zwarte Zondag beargumenteerde voeding gaf. Zo’n boek op latere leeftijd herlezen, durft dan wel eens tegenvallen. Maar in dit geval niet.
(Fieke Van der Gucht)
Meer lezen?
Documentatiemap Anne Provoost
“Voor Anne Provoost is schrijven een ambacht” / Tilly Stuckens. In: De Standaard, 18 maart 1995
“Elke keuze heeft zijn angel” / Jo Blommaert. In: Stem der Vrouw, juli-augustus 1995
“Een literaire waarschuwing tegen de verleiding van het ‘bruine denken: over Vallen van Anne Provoost’”/ Helma van Lierop-Debrauwer. In: Literatuur zonder Leeftijd 63, p.46-53
“Anne Provoost: de lezer kiest zelf” / EB. In: De Morgen, 2 november 1994
“Volwassen literatuur voor de jeugd: het werk van Anne Provoost” / Annemie Leysen. In: Ons Erfdeel 42 (1999) 5, p. 692-698
“Wegwijzers bij de lectuur van Vallen van Anne Provoost” / Jet Marchau. In: Moritoen vzw. Literaire Werkgemeenschap voor Jongeren, Reeks XXVII (1995-1996, nr. 2)
“Chronotopes and Heritage: Time and Memory in Contemporary Children’s Literature” / Lisa Sainsbury. In: Kimberley Reynolds (ed.), Modern Children’s Literature: an Introduction, Palgrave, 2004, p. 156-172
[Dit, en meer, is te vinden in de bibliotheek van Stichting Lezen.]
Het was zijn Pentagram-cyclus die me echt overstag deed gaan. Dat moesten “vijf griezelboeken rond vijf paranormaal begaafde kinderen uit de vijf continenten” worden (Lexicon Jeugdliteratuur). Er verschenen er uiteindelijk vier, allemaal bij Facet: Kernenergie voor de duivel (1986), De nacht van de schorpioen (1989), De zilveren citadel (1989) en De dag van de draak (1991). Een vijfde deel kwam er niet. (**) Die vijf kinderen – Martin in Pentagram 1, Pedro in Pentagram 2, de telepathische tweeling Jeremy en Nicholas in Pentagram 3 en tot slot Will in Pentagram 4 – worden zich bewust van de bijzondere krachten die ze hebben. Met zijn Vijven kunnen ze de wereld van de satanische Ouden redden.




