André Sollie over 10 jaar Stichting Lezen in 1 herinnering

Posted by Villa Kakelbont @ 2:01 pm, Monday, September 24, 2012

Stichting Lezen viert deze maand haar tiende verjaardag, maar André Sollie kennen we natuurlijk al veel langer. Voor de rubriek Het Mini-Interview vroegen we dit multitalent -dichter, illustrator, auteur- en goede vriend naar een mooie herinnering uit 10 jaar Stichting Lezen.

*

andreOntelbaar zijn ze, de schoollezingen en schrijfworkshops die ik als ‘gezant’ van Stichting Lezen al die jaren mocht geven. De mooiste herinnering bewaar ik aan die keer toen ik op bezoek was bij een Technische School ergens diep in West-Vlaanderen.

In een ongezellig zaaltje zitten, braaf twee aan twee achter te smalle tafels, de 17 stoere jongens van het derde jaar Houtbewerking me met een soort van norse verlegenheid op te wachten.
‘Hallo,’ zeg ik. Een dichter in het hanenhok.
Het is de bedoeling dat elke leerling één mooie poëtische zin neerschrijft. Een makkie. Nadat ik ze verteld heb hoe fijn het wel is om je gedachten en je gevoelens aan het papier toe te vertrouwen en wat een heerlijk gevoel van vrijheid het geeft, behouden de gezonde koppen hun gegijzelde uitdrukking.
Ik krijg iets volhardends over me. ‘Poëzie, weet je wel. De dingen van een heel andere kant bekijken. Met gewone woorden tóch een bijzondere zin schrijven.’
De jongens kijken elkaar meesmuilend aan. Flauwekul voor meisjes: het staat in grote letters op hun klamme voorhoofden. De leerkracht staat verveeld uit het raam te staren.
‘Hier. Ik geef jullie ieder een woord cadeau,’ zeg ik, de deelnemers een schoenendoos met opgevouwen papiertjes onder de neus duwend. Op elk papiertje een woord vol verlangen.
Op het krijtbord schrijf ik daarna als gek alle woorden die ze me op mijn verzoek lukraak toeroepen. Als het maar ‘warme’ of ‘koude’ woorden zijn: zon, trui, sneeuw, ster, zoen… Dat wil al aardig lukken.
‘Ieder kiest nu om de beurt een woord dat door één van je klasgenoten is bedacht.’ Ik negeer het gemor. ‘Goed zo. Twee woorden heb je al. Gebruik ook woordjes als mijn, jouw, ons… Daar gaan we, jongens. Schrijf een korte zin die zó uit een gedicht zou kunnen komen. Gebruik je verbeelding. En wees niet bang voor emotie. Schrijf iets moois waarmee je de anderen omverblaast. Pen en papier, je hart op een kier!
Opeens komt er een vreemd soort concentratie in het lokaal hangen. De stilte verraad onverhoopt inzet en gezonde naijver.
‘Neem je tijd,’ fluister ik nog, terwijl ik hulpvaardig langs de tafels loop. Overbodig, merk ik aan de gebogen ruggen en de peinzende blikken. Ik ben plots – hallelujah – een stoorzender geworden. Ik hou mijn mond. Ze schrijven.

Dan komt het grote moment: de jongens lezen het resultaat van hun schrijfwerk hardop voor…
Laten die kerels nou zinnen hebben geschreven als Daarboven, een meer van sterren staat op mij te wachten. En Jouw vuurwerk blies de weg naar mijn dromen op.
Met elke regel die wordt voorgelezen, stijgt de verbazing. Bij henzelf, bij mij, bij de leerkracht. Dat zijn potige houtbewerkers ook tot poëtische ontboezemingen in staat blijken, dat had hij nooit vermoed.
Zo meteen zal ik waarderende woorden spreken, maar eerst ga ik enthousiast mijn ontroering iets minder zichtbaar staan klappen.
We nemen afscheid. Apetrots lopen de jongens naar de praktijkles Meubelconstructie. Met blozende wangen. Ook ik gloei nog een lange treinreis na.

Kristien Dieltiens over een zomer vol boeken

Posted by Villa Kakelbont @ 8:54 am, Thursday, June 28, 2012

Kristien Dieltiens publiceerde onlangs haar vijftigste boek, Kelderkind (De Eenhoorn). Voor de rubriek Het Mini-Interview vroegen we haar welke boeken op haar leeslijst voor deze zomer staan. En dat zijn er heel wat.

*

kristiendieltiensIk ga op reis en neem mee… mijn autokoffer vol met boeken.
Ik koop vaak boeken op rommelmarkten of in een kringloopwinkel en dan maak ik mezelf wijs dat niemand anders dit boek heeft gelezen. Misschien ontdek ik op die manier ongekende parels.
Zo een boek is misschien De miskraam van moedertje Dipenda (Reynaert). Een bloemlezing uit de Nederlandse Kongoletteren, verzameld door Albert van Hoeck en uitgegeven in 1968, het jaar dat ik met een leren riempje om mijn voorhoofd en op blote voeten, zelfs op koude dagen, de wereld trotseerde.
Vanuit mijn interesse naar historische volksverhalen wil ik ook De wonderen van Jezus-Eik: mirakelverhalen uit de 17de eeuw (Bakker) lezen en het boek Verborgen verhalen: betekenissen van Vlaamse en Nederlandse schilderijen 15de – 18de eeuw (Ludion).
Op de boekenbeurs kocht ik bij Erik Vlaminck zijn Brandlucht en als dit even mooi is als Suikerspin zal ik eindigen met een Hallelujakreet. Dit laatste boek zou moeten verfilmd worden, dus ik heb het alvast cadeau gedaan aan mijn zoon Gust Van den Berghe, filmregisseur.
Met een beetje schaamrood (omdat dit nog niet gebeurd is), ga ik ook mijn leeshonger voeden met de trilogie van Tom Lanoye: Het Goddelijke monster (Prometheus) en zijn Sprakeloos (Prometheus).
Ik heb ongelooflijk genoten van Mijn meneer (Querido) van Ted van Lieshout, en ik wil hem zeker een tweede keer lezen. Een zeer moeilijk (autobiografisch) onderwerp, een pedoseksuele liefdesrelatie, die onwaarschijnlijk authentiek en integer werd beschreven door een grootmeester.
Natuurlijk neem ik ook werkmateriaal mee voor mijn volgende roman: Los ninos de la guerra, een verzameling overlevingsverhalen van kinderen die tijdens de Spaanse burgeroorlog naar o.a. ons land werden geëvacueerd. Daarna plan ik een uitstap naar Baskenland.
Omdat ik met de auto ga, kan ik deze keer ook de turf De kinderen van de doden (Querido) van Nobelprijswinnares Elfriede Jelinek meenemen. (Met Ryanair is dit onmogelijk, hij past niet in een jaszak of onder een pull). Een boek dat je onmogelijk mee naar het strand kunt nemen, wegens te zwaar. Letterlijk en figuurlijk.
Een jeugdboek dat mij werd aangeraden (het ligt al  10 jaar te wachten) is Ysa’s schreeuw van Rita Williams-Garcia (Querido). Het wordt omschreven als: romantiek voor realisten. Mijn categorie dus.
Als geschenk kreeg ik De uilendoders van Karen Maitland, een historische triller met als lokker op de achterflap: Een sinister verhaal over verraad en magie. Tja, tegen een snufje magie zeg ik niet nee, ook al heb ik een beetje wantrouwen in dikke, vertaalde boeken. Vaak kan de helft geschrapt worden en erger ik me mateloos. Toch lees ik ieder boek, hoe vervelend ook, uit.. Een auteur kan tot de laatste pagina iets bewijzen.
En na 10 maanden rust ga ik heel kritisch nog één keer mijn eigen Kelderkind (De Eenhoorn) lezen. Een boek is iets heel anders dan een geprint manuscript. Een saaie opdracht want ik weet hoe het afloopt. En tussen het lezen door zal ik vooral schrijven. Einde juli is mijn deadline voor een waargebeurd verhaal voor Manteau en in augustus schrijf ik aan een Leesleeuw.

Jaap Robben over reacties van lezers

Posted by Villa Kakelbont @ 1:58 pm, Monday, June 4, 2012

Jaap Robben schreef samen met illustrator Benjamin Leroy De Zuurtjes (De Geus, 2010). Dit najaar verschijnen de poëziebundel Als iemand ooit mijn botjes vindt, ook met illustraties van Benjamin Leroy (De Geus) en het prentenboek Josephine, met illustraties van Merel Eyckerman (De Eenhoorn). Voor dit Mini-interview vroegen we hem: wat is de leukste reactie die je ooit kreeg op een boek?

*

jaap_robbenAls je gaat voordragen krijg je naast je honorarium vaak een cadeautje van de organisatie. (Vreemd beroep is het toch. Geen stukadoor die elke avond een begonia mee naar huis krijgt.) Op het gebied van de cadeautjes heb ik al een aantal gedenkwaardige prullaria. Genoeg flessen wijn om een straat in coma te zuipen, een asbak in de vorm van een vlieg, mooie boeken, minder mooie boeken, een MP3-stick, een barkruk, een plastic Waalbrug en een pompoen die zo enorm groot was dat ze haast ontilbaar was en mijn tas bij thuiskomst langs bijna alle naden had uitgescheurd.

Reacties op een boek of gedicht komen meestal per mail, op een frommelig papiertje of in een keurige enveloppe. Soms spreekt iemand je aan op straat. Er is een reactie van iemand die net voor zijn overlijden mijn bundel ‘Zullen we een bos beginnen?’ in het ziekenhuis cadeau kreeg en me daarover een mail stuurde die ik in een doosje bewaar.
De jongen die van zijn ouders een nieuw exemplaar van ‘De Zuurtjes’ mocht kopen en laten signeren omdat de vorige stukgelezen was en letterlijk uit elkaar viel.
Of de reactie, die niet echt een reactie was. Een jongen die op een diploma-uitreiking op een school van een vriend een verhaal voorlas waarvan hij zei dat hij het geschreven had, terwijl het letterlijk het mijne was. Dat was de eerste keer dat ik besefte dat anderen mijn teksten konden lezen.

Het speciale aan schrijven is dat je nooit weet wanneer iemand je woorden leest. Je schrijft in je eentje, een paar mensen mogen de prille versies lezen en uiteindelijk gaat het de wereld in om bij wildvreemden terecht te komen. De gedachte dat er, terwijl ik dit schrijf, misschien ergens iemand is die mijn boek leest, vind ik heel erg spannend. In een hangmat, op de wc, in de trein, in bed of in een leunstoel.

Maar de reactie waar ik meteen aan moest denken, is de volgende. Ik stond vrij vooraan bij een druk concert. Het meisje naast me dat ineens het schermpje van haar telefoon voor mijn gezicht houdt. ‘Dat ben jij,’ zegt ze. ‘In mijn huis.’
Op het schermpje zie ik een studentenkamer met een bed, bureau, bankje en een kleine eettafel. Ik zie mezelf nergens. En ik ken het meisje niet.
‘Misschien heb je een ander iemand in gedachten?’ roep ik over de muziek heen.
‘Nee hoor Jaap. Je moet goed kijken.’
Ik kijk nog een keer naar de foto. Ik zit niet onder de tafel, steek niet tussen het fruit op de schaal vandaan, ik sta niet achter een gordijn.
‘Ik dacht dat jij beter kon kijken,’ zegt ze.
Ineens zie ik het. Over haar volledige muur is een tekst geschilderd. Een gedicht. Mijn gedicht. Ik stamel: ‘Goh en bedankt en wat bijzonder.’ Ik bloos en glimlach, een glimlach die minstens een dag heeft geduurd. En soms nog op mijn gezicht verschijnt.

Tom Marien over lezen en schrijven

Posted by Villa Kakelbont @ 1:11 pm, Monday, April 30, 2012

We vroegen auteur Tom Marien, die in 2008 debuteerde met Vlucht (Manteau), en sindsdien ook Vuist (Manteau, 2010) publiceerde: ‘Leest u op een andere manier sinds u zelf schrijft?’ Dit is zijn antwoord.
*
copyright: kwestion.beOp een wel erg wisselvallige dag ontving een jonge schrijver een bijzondere vraag in zijn mailbox: ‘Leest u boeken op een andere manier sinds u zelf schrijft?’
‘Natuurlijk! riep hij uit en hij had bijna dat ene woord als antwoord gestuurd, omdat hij aan sommige zaken niet graag veel woorden vuil maakte. Zuinigheid, daar draaide het om, volgens hem. Niet alleen in het schrijven, maar in zovele zaken. Woord- en andere vervuiling was er al genoeg. Toen bedacht hij dat zijn repliek te kort van stof was. De meeste instanties ter bevordering van het lezen laten zich niet met zo weinig woorden afschepen.
Er schoof een donkere wolk voor de zon. De schrijver verliet zijn bureau en daalde de trap af om een kop koffie te halen. Dat deed hij altijd wanneer donkere wolken hem zijn klare kijk ontnamen. Met zijn koffie plofte hij neer in de zetel. ‘Uiteraard,’ prevelde hij. ‘En ik let vooral op vorm, meer dan op de inhoud. Ik ben nogal tuk op techniek en stijl, en dat is heerlijk om al lezend te ontrafelen en te ontdekken.’ En hij dacht aan zijn helden van het witte blad, en aan zijn schriftje vol citaten dat hij op blauwe uren wel eens boven durfde halen. Verder dacht hij aan een interview met een slagerszoon met een brilletje. Die zoon zei dat alleen maar goede boeken lezen gevaarlijk is. Een schrijver moet ook af en toe een boek lezen waarvan hij denkt: ‘Dat kan ik ook. Of sterker nog, dat kan ik beter.’ Toen keek de jonge schrijver naar zijn twee eigen werkjes en schudde zo heftig met het hoofd dat hij enkele druppels koffie morste op zijn ribfluwelen broek. De vlek deerde hem niet. Enkele vragen kwamen in hem op. Waarom zijn sommige boeken goed en andere niet? En wie of wat bepaalt dat? En vanaf wanneer ben je schrijver? Vanaf je debuut bij een uitgever? Vanaf je eerste publicatie in een tijdschrift? Vanaf je eerste eigen gedicht op school? Vanaf het ogenblik dat je je eigen naam kan schrijven misschien? Te veel vragen spookten door zijn hoofd dat wel erg zwaar begon te wegen. Opnieuw zag hij de koffievlek op zijn broek die nu veel groter was geworden. ‘Eureka!’ schreeuwde hij en hij veerde overeind als uit een doosje. ‘Alles begint altijd klein.’ Hij stoof de trap op en begon als een gek op zijn toetsenbord te rammen, want de fase van schrijven met vulpen was hij ondertussen voorbij. En hij schreef en hij schrapte, hij schaafde en herschreef tot de zon onderging. En die nacht las hij nog meer boeken en zo anders als hij maar kon.

Maarten Jagermeester over zijn beest-bij-voorkeur.

Posted by Villa Kakelbont @ 10:24 am, Wednesday, February 29, 2012

Naar aanleiding van de Jeugdboekenweek – dit jaar rond het thema ‘dieren’ – vroegen we dierenarts/auteur Maarten Jagermeester: Over welk dier schrijft u het liefst en waarom?

*

maartenmetkatIk schrijf het liefst over katten want ik ben een kattenfreak. Van kindsbeen af ben ik al gefascineerd door dit gracieuze dier.  Op de boerderij waar ik mijn jeugd heb doorgebracht ontfermde ik me wel over twintig katten wat voor de buren de aanleiding was om me de naam ‘kattenpastoor’ te geven. Momenteel heeft ons gezin zes katten in de huiskamer lopen of liever gezegd liggen. Onze katten  behoren allemaal zonder uitzondering tot het oersterke vuilnisbakkenras. De meeste heb ik geadopteerd toen ze al volwassen waren. Dikwijls waren het slachtoffers van auto-ongevallen die door toevallige voorbijgangers in mijn dierenartsenpraktijk werden binnengebracht. Wanneer de kat hersteld was en de eigenaar niet was komen opdagen, bleef de kat bij mij. Het was dat of het asiel en als je weet dat mijn twee dochters, ook kattenvrienden, hierin meestal het laatste woord hadden, was de keuze vlug gemaakt. Ook kittens werden gewoon aan de deur van de praktijk gedumpt en sommige mochten blijven. Jammer genoeg is het niet mogelijk om elke kat in onze dierenherberg op te nemen, anders konden we beter een asiel beginnen.
Ik heb er altijd van versteld gestaan hoe een kat, zelfs een oude, zich aanpaste aan haar nieuwe omgeving en andere baasjes.   Onze katten liggen bijna de hele dag op hun luie kont ergens op een leuk plaatsje te maffen. Ze nemen daarvoor allerlei houdingen aan: uitgestrekt op de rug, in een bolletje, of plat op de buik. Als ik ’s avonds een boek wil lezen in een luie zetel is mijn plaats meestal ingenomen door een van onze poezen. Maar als ik de ijskast open of een blikopener vast neem, staan ze een seconde later in de keuken. Katten zijn ontzettend mooie, lieve wezens. Ze hebben iets mysterieus, een charme, een gratie en een uitstraling die een hond niet heeft. Een kat is een onafhankelijk dier dat altijd zijn zin doet. Ze leidt haar eigen leven en is nooit de slaaf van de mens.
In tegenstelling tot onze honden moet ik met mijn katten geen avondwandelingen maken, wat voor een mens met een druk bestaan als ik een meevaller is.  Een kat zorgt immers voor zichzelf, ze is zindelijk en laat zich via een kattenluikje zelf uit. Kortom katten zijn schone beesten die bovendien de stoepen niet bevuilen. Tegenwoordig zijn katten in, ze zijn trendy. Ze zijn ongetwijfeld op weg om de hond te verdringen van de ‘Top-1-plaats’ in de hitparade van populaire huisdieren.
Ik mijn jeugdboeken laat ik allerlei diersoorten de hoofdrol spelen, maar natuurlijk hebben katten een pootje voor.
Om af te sluiten wil ik twee mensen citeren. De beroemde Albert Schweitzer (arts, theoloog,filosoof en musicus) zei het volgende: ’ Er bestaan maar twee manieren om te ontsnappen aan de triestheid van het bestaan: muziek en katten.’
En wat vind je van deze: ‘Katten vinden mensen nuttige huisdieren’ (auteur George Mikes).
Ik moet de beide heren volmondig bijtreden.

script filename C:\\inetpub\\vhosts\\villakakelbont.be\\httpdocs\\blog\\Index.php
doc root /
can't detect root path
[56980935]