André Sollie over 10 jaar Stichting Lezen in 1 herinnering
Stichting Lezen viert deze maand haar tiende verjaardag, maar André Sollie kennen we natuurlijk al veel langer. Voor de rubriek Het Mini-Interview vroegen we dit multitalent -dichter, illustrator, auteur- en goede vriend naar een mooie herinnering uit 10 jaar Stichting Lezen.
*
Ontelbaar zijn ze, de schoollezingen en schrijfworkshops die ik als ‘gezant’ van Stichting Lezen al die jaren mocht geven. De mooiste herinnering bewaar ik aan die keer toen ik op bezoek was bij een Technische School ergens diep in West-Vlaanderen.
In een ongezellig zaaltje zitten, braaf twee aan twee achter te smalle tafels, de 17 stoere jongens van het derde jaar Houtbewerking me met een soort van norse verlegenheid op te wachten.
‘Hallo,’ zeg ik. Een dichter in het hanenhok.
Het is de bedoeling dat elke leerling één mooie poëtische zin neerschrijft. Een makkie. Nadat ik ze verteld heb hoe fijn het wel is om je gedachten en je gevoelens aan het papier toe te vertrouwen en wat een heerlijk gevoel van vrijheid het geeft, behouden de gezonde koppen hun gegijzelde uitdrukking.
Ik krijg iets volhardends over me. ‘Poëzie, weet je wel. De dingen van een heel andere kant bekijken. Met gewone woorden tóch een bijzondere zin schrijven.’
De jongens kijken elkaar meesmuilend aan. Flauwekul voor meisjes: het staat in grote letters op hun klamme voorhoofden. De leerkracht staat verveeld uit het raam te staren.
‘Hier. Ik geef jullie ieder een woord cadeau,’ zeg ik, de deelnemers een schoenendoos met opgevouwen papiertjes onder de neus duwend. Op elk papiertje een woord vol verlangen.
Op het krijtbord schrijf ik daarna als gek alle woorden die ze me op mijn verzoek lukraak toeroepen. Als het maar ‘warme’ of ‘koude’ woorden zijn: zon, trui, sneeuw, ster, zoen… Dat wil al aardig lukken.
‘Ieder kiest nu om de beurt een woord dat door één van je klasgenoten is bedacht.’ Ik negeer het gemor. ‘Goed zo. Twee woorden heb je al. Gebruik ook woordjes als mijn, jouw, ons… Daar gaan we, jongens. Schrijf een korte zin die zó uit een gedicht zou kunnen komen. Gebruik je verbeelding. En wees niet bang voor emotie. Schrijf iets moois waarmee je de anderen omverblaast. Pen en papier, je hart op een kier!’
Opeens komt er een vreemd soort concentratie in het lokaal hangen. De stilte verraad onverhoopt inzet en gezonde naijver.
‘Neem je tijd,’ fluister ik nog, terwijl ik hulpvaardig langs de tafels loop. Overbodig, merk ik aan de gebogen ruggen en de peinzende blikken. Ik ben plots – hallelujah – een stoorzender geworden. Ik hou mijn mond. Ze schrijven.
Dan komt het grote moment: de jongens lezen het resultaat van hun schrijfwerk hardop voor…
Laten die kerels nou zinnen hebben geschreven als Daarboven, een meer van sterren staat op mij te wachten. En Jouw vuurwerk blies de weg naar mijn dromen op.
Met elke regel die wordt voorgelezen, stijgt de verbazing. Bij henzelf, bij mij, bij de leerkracht. Dat zijn potige houtbewerkers ook tot poëtische ontboezemingen in staat blijken, dat had hij nooit vermoed.
Zo meteen zal ik waarderende woorden spreken, maar eerst ga ik enthousiast mijn ontroering iets minder zichtbaar staan klappen.
We nemen afscheid. Apetrots lopen de jongens naar de praktijkles Meubelconstructie. Met blozende wangen. Ook ik gloei nog een lange treinreis na.
Ik ga op reis en neem mee… mijn autokoffer vol met boeken.
Als je gaat voordragen krijg je naast je honorarium vaak een cadeautje van de organisatie. (Vreemd beroep is het toch. Geen stukadoor die elke avond een begonia mee naar huis krijgt.) Op het gebied van de cadeautjes heb ik al een aantal gedenkwaardige prullaria. Genoeg flessen wijn om een straat in coma te zuipen, een asbak in de vorm van een vlieg, mooie boeken, minder mooie boeken, een MP3-stick, een barkruk, een plastic Waalbrug en een pompoen die zo enorm groot was dat ze haast ontilbaar was en mijn tas bij thuiskomst langs bijna alle naden had uitgescheurd.
Op een wel erg wisselvallige dag ontving een jonge schrijver een bijzondere vraag in zijn mailbox: ‘Leest u boeken op een andere manier sinds u zelf schrijft?’
Ik schrijf het liefst over katten want ik ben een kattenfreak. Van kindsbeen af ben ik al gefascineerd door dit gracieuze dier. Op de boerderij waar ik mijn jeugd heb doorgebracht ontfermde ik me wel over twintig katten wat voor de buren de aanleiding was om me de naam ‘kattenpastoor’ te geven. Momenteel heeft ons gezin zes katten in de huiskamer lopen of liever gezegd liggen. Onze katten behoren allemaal zonder uitzondering tot het oersterke vuilnisbakkenras. De meeste heb ik geadopteerd toen ze al volwassen waren. Dikwijls waren het slachtoffers van auto-ongevallen die door toevallige voorbijgangers in mijn dierenartsenpraktijk werden binnengebracht. Wanneer de kat hersteld was en de eigenaar niet was komen opdagen, bleef de kat bij mij. Het was dat of het asiel en als je weet dat mijn twee dochters, ook kattenvrienden, hierin meestal het laatste woord hadden, was de keuze vlug gemaakt. Ook kittens werden gewoon aan de deur van de praktijk gedumpt en sommige mochten blijven. Jammer genoeg is het niet mogelijk om elke kat in onze dierenherberg op te nemen, anders konden we beter een asiel beginnen.