De laatste dag
Als het licht wordt, kijkt de pekinees naar boven. De zon schijnt maar het is kil in de put. Dan verschijnt er een gezicht. Iemand kijkt over de rand naar beneden.
Het is mijnheertje Kokhals die toevallig voorbijkwam.
Hij wil de pekinees vast helpen.
‘Hallo,’ zegt hij, ‘wat doe jij daar?’
‘Ik weet het niet,’ zegt de pekinees. ‘Ik ben hier gewoonweg terechtgekomen.’
‘Zomaar?’
‘Zomaar.’
‘Ik help je wel,’ zegt mijnheertje Kokhals.
Hij springt in de kuil en tilt de pekinees met moeite er uit. ‘Vrolijke staart,’ merkt hij terecht op.
‘Dank u zeer,’ blaft de pekinees. ‘U hebt mij echt geholpen.’
En de pekinees vervolgt zijn levenspad. Een beetje wankel van de honger en de kou. Maar toch, hij verlangt alweer naar nieuwe vrienden…
‘Hoe moet ik hier nu uitraken?’ vraagt mijnheertje Kokhals zich af.
‘Het is hier kil en donker en de rand van de kuil is net te hoog . En het is zo’n afgelegen plek dat hier vast niemand komt.’
Wie aandachtig luistert, hoort die nacht in de verte iemand die om hulp roept.
Maar de mensen zijn te druk in de weer om bij een verre stem stil te staan.
Want morgen is het 1 mei, een dag van feesten en plezier maken!

