
Op 6 december 1962 kreeg ik van Sinterklaas het boek 20000 Mijlen onder Zee van Jules Verne cadeau. Ik was toen negen. Twee uur later had ik het boek uit en tot op de dag van vandaag weet ik nog door welk gevoel ik werd overvallen op het moment dat ik het boek dichtklapte. Het was geen mooi gevoel, nee, en het was ook geen aangenaam gevoel – volgens de katholieke kerk en volgens Humo is het zelfs een van de zeven hoofdzonden: het was jaloersheid.
Nee, ik was niet jaloers op de helden van het verhaal, de uiterst geleerde en dappere professor Arronax of Ned Land, de stoere harpoenier, of Kapitein Nemo, de geheimzinnige gezagvoerder van de mysterieuze duikboot – nee, ik was jaloers op de schrijver van dat ongelooflijke boek! Ik was jaloers op Jules Verne! Waarom had hij dat verhaal verteld en niet ik? Die smerige Jules Verne had dat verhaal van mij afgepakt, noch min noch meer! Ik had dat moeten schrijven! En van pure colère en jaloersheid ben ik rechtgesprongen, ik heb de voordeur van ons huis opengerukt en ik ben in één woeste race recht naar de zee gerend. Dat stelde niet zoveel voor, want in 1962 woonden wij in Middelkerke, aan de Belgische kust, op ongeveer honderd meter van de zee.
Wat wél iets voorstelde was dat de zee op dat moment bevroren was. De winter van 1962-’63 was namelijk de strengste winter van de eeuw (of zoiets) en de Noordzee was – echt waar! – bevroren. Bij eb bevroor het zeewater tot op zo’n vijftig-zestig meter van het strand en bij vloed werd al dat ijs op het strand gestouwd, en dat stapelde zich op, en op den duur lagen er heuse ijsbergen op het strand van Middelkerke. Eén à anderhalve meter hoog, minstens. Echt waar!
En daar stond ik dus, boven op z’n ijsberg op het strand van Middelkerke, minstens twee meter boven de zee, kwaad te wezen op Jules Verne. ‘Wacht maar, Jules Verne!’ ging het door mijn hoofd. ‘Ik zet het je betaald, wacht maar!’
En ineens had ik het: ik zou zelf een boek schrijven! En niet zomaar een boek, nee: ik zou een trilogie schrijven! Een trilogie in drie delen (ha!), en ik had zelfs al een titel: ‘De bevroren Zee’, zou de trilogie heten! Ik zag het al helemaal voor me.
DE BEVROREN ZEE
Trilogie
door
Jan Simoen
Deel I: De Zee bevriest
Deel II: De Zee is Bevroren
Deel III: De Zee ontdooit
En ik ben in één woeste ruk naar huis gerend, de volle honderd meter, ik heb de voordeur achter mij dichtgeklapt en ik heb keihard naar mijn vader geschreeuwd: ‘Papa, papa, snel! Ik heb een schrift nodig!’ Mijn vader, moet u weten, was onderwijzer en derhalve had hij steeds een aantal van die kleine schoolschriftjes in huis, en waarempel, ik kreeg er eentje van hem. Er prijkte een vliegtuig op de kaft en achteraan stonden de tafels van vermenigvuldiging. ‘Zuinig zijn hoor!’ sprak mijn vader streng. ‘Geen papier verspillen!’


Ik heb dat schriftje meteen helemaal volgeschreven, vooral met titels van delen en titels van hoofdstukken. Boekdelen werden vijf keer onderstreept, hoofdstukken maar drie keer. Mijn eigen naam, ‘door Jan Simoen’, werd acht keer onderstreept, in vier verschillende kleuren en voorzien van allerhande ingewikkelde krullen en versierselen.
Tekst kwam er ook in voor. Zeker een halve pagina, minstens.
Mijn trilogie van de bevroren zee heeft helaas het leven niet overleefd, zij is ergens verdwenen in de plooien van de tijd. Meer dan veertig jaar later, in 2005, heb ik wel een trilogie voltooid. Een andere trilogie weliswaar. Meer dan waarschijnlijk veel minder mooi dan die eerste, die verloren is gegaan. Verloren dingen hebben altijd een streepje voor op bestaande dingen. Je kunt ze namelijk niet bestrijden, net omdat ze afwezig zijn. In hun afwezigheid zijn ze altijd mooier dan de bestaande dingen.
Maar één ding weet ik zeker.
Dankzij Jules Verne ben ik schrijver geworden.