Donderdag 31 januari 2008
(middag)
Op de fiets waai ik naar huis. De overdracht van het stadsdichterschap is achter de rug, en in sommige straten heb ik wind mee. In mijn fietszakken zitten bossen bloemen, aan mijn stuur hangt een zak met cadeautjes. Zo gaat dat dus, afscheid nemen. Met Zeven tips voor wie gelukkig wil worden zonder mij heb ik mijn stadsdichterschap afgesloten. Mijn manier om te bedanken, met twee liedjes erbij die u tot mijn spijt hier niet kunt horen, eentje van Esmé en eentje van mij. (Vroeg of laat komen ze wel op de site van de Stadsdichterpodcast terecht.) Op de receptie vanmiddag vroegen mensen of ze de zeven tips nog ergens konden nalezen. Ik heb ze verteld van de eenendertig dagen op deze blog, en dat ik de tips daar zou posten. Vandaar:
ZEVEN TIPS VOOR WIE GELUKKIG WIL WORDEN ZONDER MIJ
1. Wees uw eigen moeder. Moeders fatsoeneren hun kinderen, zodat ze de straat op kunnen. Ze knopen de schoenen dicht, trekken de broekband goed, rukken de jas recht, ritsen hem dicht, aaien de mouwen, geven een tikje tegen de schouders, doen spuug op een hoek van hun zakdoek en vegen de mondhoeken schoon. Moeders verwachten dat hun kinderen er bij elke handeling een beetje beter op staan, en het werkt ook: bij elke beweging vallen hun kinderen beter in de plooi.
Zo is het gegaan, de afgelopen twee jaar. Ik ben mijn eigen moeder geweest. Ik heb mezelf gefatsoeneerd en ik ben de straat op gegaan.
2. Wees voorzichtig met grappen. Vaders halen uit een rapport alleen getallen die hun kinderen niet willen horen. Ze hebben een negen voor tekenen, maar vaders wijzen naar de zessen voor geschiedenis en de drieën voor rekenen, en als ze eens een goed rapport onder hun neus krijgen, met veel zevens bijvoorbeeld, dan vragen ze als grap waar de rest van de punten gebleven zijn, de drie punten die nog nodig waren om de hele tien te halen.
Ik heb geen last gehad van de gedichten die ik geschreven heb. Ik heb last gehad van de stadsgedichten die ik niet heb geschreven. Er is altijd een onderwerp waar je op een bepaald moment in je leven niet mee bezig bent. Je fietst door de stad en je zit met een gedicht over armoede in je hoofd, en je wordt bijna van je sokken gereden en je denkt: de veiligheid van de fietser, daar moet ik ook nog iets aan doen. En kijk daar, een hoofddoek. En daar: een verdwenen gebouw. Op elk moment is er wel iets waardoor je op de resterende drie wordt gewezen, de twee, de anderhalve die nog nodig zijn om de hele tien te halen.
3. Blijf ademen naar uw buik. Kinderen doen het van nature: als ze door hun moeder gefatsoeneerd worden of door hun vader op hun drie gewezen worden, kunt u het zien: hun longen en hun buik bewegen gelijkmatig. Kinderen ademen beter dan volwassenen. Er zijn volwassenen die dik worden en een baardje laten staan en snel transpireren, ze hebben een knellend boordje, en als ze iets zien wat ze gevaarlijk vinden, en ze proberen iets te verbieden, en soms lukt het nog ook, en ze maken dan amechtig lawaai. Dat heeft allemaal met hun ademhaling te maken, echt waar, in die twee jaar heb ik een paar mensen leren kennen die heel verkeerd ademen.
4. Leer heel zachtjes zingen. Daar bedoel ik de dingen mee die u kent, ze vallen onder de noemer zelfbehoud. Dat u andere mensen moet aanleren in bomen te klimmen, naar de maan te lopen, dat u uw vingers moet oefenen, de woorden foert, tarara en weetewattagijkunt moet leren. Ik heb deze tip poëtisch verpakt in Leer zachtjes zingen. Niet alleen omdat ik besefte dat ik soms zachtjes ga zingen als ik tegen de stroom in toch mijn eigen zin ga doen. Ik sta tegenover die persoon die mij raad geeft, en ik denk zingend — niemand kan het horen — dagaanikniedoen, dagaanikniedoen. Leer heel zachtjes zingen.
5. Slaap genoeg, en vooral op uw twee oren. De dingen komen altijd goed, omdat er in uw buurt altijd wel een Michaël Vandebril is, of andere mensen die u helpen bij het realiseren van uw plannen, gedurende de 24 maanden stadsdichterschap. Ze helpen een gedicht groot te brengen, als u het groot wilt brengen. En als u het klein wil houden, dan respecteren ze dat.
6. Bedank. Bedank altijd. Besef dat niet alles maar evident is. Neem de deurkruk in uw hand, zwaai de deur open, draai u om in het deurgat, en zeg: ik ben blij met wat jullie voor mij gedaan hebben, bedankt, bedankt. En als u er behoefte aan heeft, pak de persoon in kwestie nog eens goed vast, en vraag niet of ze dat goedvinden.
7. Wens iedereen geluk en trek de deur altijd achter u dicht. Dat is niet onvriendelijk bedoeld. Als de deur blijft openstaan, gaat het tochten. Zo eenvoudig is dat.