In de rubriek Been there, read that reizen we langs locaties die sporen nalieten in jeugdboeken. Heb je zelf ontdekkingen gedaan? Inzendingen met foto’s en fragment zijn welkom op info@villakakelbont.be.
Fieke Van der Gucht bijt de spits af. Ze ging op reis naar Oxford en ontmoette daar Lyra en Will uit Pullmans trilogie His Dark Materials.
*

Uit: De amberkleurige kijker / Philip Pullman (Prometheus, 2002, p. 445-446)
In High Street was weinig verkeer, en toen ze de trap tegenover Magdalen College af liepen naar de ingang van de Botanische Tuin waren ze geheel alleen. Er was een sierlijke poort met stenen zitplaatsen erin. Daarop namen Mary en Serafina plaats, terwijl Will en Lyra over het hek klommen, de tuin in. Hun daemonen glipten door de spijlen en gingen voor hen uit.
‘Het is deze kant op,’ zei Lyra, en ze trok Will mee.
Ze voerde hem langs een poel met een fontein onder een wijd uitgegroeide boom, en sloeg toen linksaf tussen perken en planten, naar een enorme, veelstammige naaldboom.


Daar bevond zich een zware stenen muur met een deur erin, en in het overige deel van de tuin waren de bomen jonger en was de beplanting luchtiger. Lyra voerde hem bijna naar het einde van de tuin, over een bruggetje naar een bank onder een boom met lage takken.


‘Ja!’ zei ze. ‘Ik hoopte het zo en hier is het, precies hetzelfde… Will, hier kwam ik altijd in míjn Oxford en zat ik op precies ditzelfde bankje wanneer ik alleen wilde zijn, met Pan. Mijn idee was dat als je -misschien maar één keer per jaar – als we op dezelfde tijd hier zouden kunnen komen, voor een uurtje of zo, dat het dan is alsof we weer samen zijn – want we zouden dicht bij elkaar zijn, als jij hier zou zitten en ik zit gewoon hier in mijn eigen wereld.’
‘Ja,’ zei hij, ‘ik zal terugkomen zolang ik leef. Waar ter wereld ik ook ben, ik zal hier terugkomen…’
‘Op de langste dag,’ zei ze. ‘Om twaalf uur ‘s middags. Zolang ik leef. Zolang ik leef…’
Hij merkte dat hij niet meer kon zien, maar hij liet zijn hete tranen de vrije loop en hield haar tegen zich aan.
‘En als we… later…’ ze fluisterde haperend, ‘als we iemand anders ontmoeten die we aardig vinden, en met die persoon trouwen, dat we dan goed voor die persoon moeten zijn, en niet steeds vergelijken en wensen dat we met elkaar getrouwd waren. Maar hou eraan vast dat we hier eens per jaar komen, voor een uurtje, alleen maar om samen te zijn.’