Herlees nooit een boek waar je in je jeugdjaren helemaal wild van was. Dat eindigt altijd in teleurstelling. Ik deed het voor deze rubriek toch.
Ik was – in de roemruchte jaren ’90 – wég van de Babysittersclub. Pulp van de bovenste plank, maar ontzettend verslavend. En ik was niet de enige fan. Duizenden prepubers werden al snel close friends met Gertie, Petra, Joke, Inge en Betty. Wie als meisje opgroeide in die tijd, kon er niet omheen: de Babysittersclub was hot. Nu nog veroorzaakt de clubnaam een zweem van nostalgie bij vele twintigers. Reden genoeg om de reeks – voor even – weer boven te halen.
Ik las Vaarwel, Petra, nummer 13 in de rij. Niet toevallig, want ik herinner me dat ik hierdoor als twaalfjarige tot tranen toe ontroerd was. Een echte tearjerker.
Tijdens het lezen werd ik opnieuw twaalf en dat vond ik best leuk. Hallo weemoed! De oude ‘vriendinnen’ leken plots weer zo vertrouwd. Maar al snel maakte mijn nostalgie plaats voor een nieuw gevoel: ergernis. Ergernis om de oer-Hollandse en vaak ronduit slechte vertaling. Ergernis om de wel erg voorspelbare en flauwe verhaallijn, de weinig originele karaktertekeningen, de uitleggerige toon. Maar – en dat verklaart meteen waarom ik er toen zo gek op was – ik leefde wel mee.
Het is een trucje dat in elk boek wordt gehanteerd: het verhaal wordt telkens door een ander Babysittersclub-lid verteld. Petra spreekt je dus haast persoonlijk aan. Een typisch kenmerk van series voor kinderen, verklaart Fiona Collins in Pop fiction: ‘The narrator of series books also has a central role in engaging the young reader in the plot. Authors attempt to make the readers feel that they are being written for individually and this need is addressed in a variety of ways.’
Elk boek is opgebouwd volgens hetzelfde stramien: een korte voorstelling van het hoofdpersonage en een introductie tot de plot vormen het eerste hoofdstuk. In het tweede hoofdstuk wordt het ontstaan van de club toegelicht en worden de vriendinnen voorgesteld, en dan begint het echte verhaal. Weinig verrassend dus. En ook stilistisch stellen de boeken niet veel voor, volgens Fiona Collins: ‘In most series books the style of writing is not over-challenging even to the newly fluent reader. The action is often mediated through the dialogue while long passages of description, with the use of figurative language, are unusual. The vocabulary used is unsophisticated and does not hinder or challenge the reader avid for action. The plot moves at a fast pace giving little attention to thought and reflection.’
De Amerikaanse Ann M. Martin schreef de reeks en heeft verder weinig noemenswaardigs op haar palmares. Het was ook niet haar idee om een reeks op te bouwen rond babysittende meisjes. Uitgeefster Jean Feiwel van Scholastic merkte het succes op van een weinig opvallend boek uit hun fonds: Ginny’s Babysitters Job.
‘As I watched the numbers every month, I noticed that a book called Ginny’s Babysitters Job, which had a rotten cover and which was listed all the way back on the third page of the offer, was always the highest selling book. I thought, it must be something about baby-sitting because it’s not something about Ginny or the cover. So I took the idea for a baby-sitting series to Ann Martin.’
Zo simpel kan het gaan. Na het zesde boek ‘boomde’ de Babysittersclub. Het was de eerste kinderboekenreeks die in de USA Today Bestseller List opdook. Over de hele Verenigde Staten ontstonden clubs. Het groepsgevoel dat de boeken opriep, werkte aanstekelijk. Ook in Vlaanderen, waar de reeks enkele jaren later door Deltas werd opgepikt, werd de Babysittersclub een succes.
Jean Feiwel vertelt: ‘The success of the series is always about more than the series premise. The Baby-Sitters Club is about the friendship between the girls, but it’s also about a sense of independence. The girls are doing something on their own. They are treated seriously. There’s a sense of respect for them. Girls like reading about that. It’s an aspirational kind of idea. Even girls who couldn’t baby-sit themselves liked reading about girls who were in charge.’ Onafhankelijk waren de dertienjarige babysitters inderdaad. Zelfs té onafhankelijk. Want toen ik als twaalfjarige met mijn vriendinnen een eigen Babysittersclub oprichtte, werd de groep na de eerste vergadering ontbonden door onze ouders. Twaalfjarigen konden de verantwoordelijkheid over andere kinderen nog niet aan, vonden ze. Meteen een belangrijke verklaring voor mijn idolatrie: de meisjes waren nog maar dertien maar gedroegen zich op vele vlakken een heel stuk ouder. Ze hadden echte vriendjes, gingen shoppen, droegen juwelen. Ik was net de basisschool ontgroeid en keek maar wat graag op naar deze meisjes. Ik was verslaafd.
Hoewel mijn verslaving zeer onschuldig leek, schuilt er volgens Fiona Collins wel degelijk een gevaar in het consumeren van hapklare reeksen. ‘Young readers are hooked immediately into the narrative, with little difficult language and few real issues to reflect on. However series reading does encourage the young reader to develop stamina and possibly also a critical edge through discussion of these books with friends. But when young readers only read series books, avoiding more literary texts, adults may have cause to worry about their diet, which might be compared to only eating hamburgers. The serial series reader could be in danger of thinking that the superficial fast fix of series books is what reading is all about, something which accomplished adult readers know not to be true.’
Goed dat ik niet veel later ook Bart Moeyaert en Johan Ballegeer ontdekte. Het heeft mijn honger naar ‘iets anders’ vergroot. Al zet ik nog steeds af en toe een dosis pulp op mijn menu. Gráág.
(Tine Kuypers)
Meer lezen?
“An interview with Jean Feiwel” / Leonard S. Marcus, in: The Horn Book Magazine, September/October 2009, p.465-478
“Reader beware you’re in for a scare: the continuing appeal of series books” / Fiona Collins, in: Pop fiction / Pat Pinsent (NCRCL, 1999) p. 125-135
“Political Correctness and the Subversive: Judy Blume and the Baby-Sitters Club”. – In: Children’s literature and its effects: the formative years / Cedric Cullingford (Cassell, 1998), p. 135-151
[Dit, en meer, is te vinden in de bibliotheek van het Focuspunt Jeugdliteratuur.]