Suriname, II
Schrijfsters Els Beerten en Kaat Vrancken bezochten eind vorig jaar Suriname. Kaat bracht al verslag uit, Els vult nu aan.
*
Dit najaar verblijven Kaat Vrancken en ik in Paramaribo om deel te nemen aan het festival ‘Wan Tru Puwema Na Wan Skreki Sani’ over leven en schrijven in een meertaligheid land, georganiseerd door Schrijversgroep 77.
Kaat en ik hebben er zin in.
Einstein zei het al: nothing happens, until something moves. Met andere woorden: blijven bougeren. En bougeren zouden we. Ook al is het de heetste tijd van het jaar. We trekken onze lichtste kleren aan. Het helpt niet meteen. Ons vel is te wit om alle warmte te absorberen.
Voor Kaat is het de eerste keer, zelf ben ik er al eerder geweest.
‘Hoe gaat het hier,’ vraag ik aan mijn vrienden.
‘Het gaat,’ zeggen ze.
In Suriname gaat het namelijk altijd. Ook als het niet gaat.
Of ik weer ga hardlopen, vragen mijn vrienden.
Tussen alle activiteiten door zeker? Geen tijd, zeg ik.
We kennen jou, zeggen ze.
Als ik ze had meegenomen, mijn loopschoenen. Ja, misschien dan. Maar toen ik mijn koffer pakte herinnerde ik me nog iets te levendig de vorige keer. Er was toen een hittegolf in dit al zo warme land maar ik zou hardlopen. En ik liep, ook al staarden mensen me na, en tikten ze met hun vinger tegen hun voorhoofd dat ik niet goed wijs was.
Ik was inderdaad niet goed wijs. ‘Eén week zal ik wel zonder kunnen,’ zeg ik.
‘Je hebt eindelijk verstand gekregen,’ zeggen zij.
Zij. De mooiste vrouwen van de wereld met de strakste billen. Of ze nu twintig of zestig zijn.
‘Je mag er best zijn,’ zeiden ze me ooit. ‘Alleen die billen. Die stellen echt niks voor.’
Ik geef het graag toe. Ik wilde strakke ronde billen. En ik had geluk, er bestond een manier. Ik moest er wel moeite voor doen. Het paradijs overkomt je niet zomaar. En op dat moment nam ik een besluit. Ik zou lange afstanden gaan lopen.

Het worden boeiende dagen.
Verschillende temperamenten uit verschillende landen bij elkaar, dat geeft vuurwerk. Tijdens het debat over ‘Schrijven in een meertalig land’ laaien de gemoederen erg hoog op. En dan neemt Kaat het woord, zo rustig als enkel Kaat kan zijn te midden van alle tumult. De Schrijversgroep 77 noteert haar woorden letterlijk in haar verslag.
‘Voor mij is het een voorrecht om in Wallonië Frans te praten, aan de oostkant Duits, bij mij thuis dialect en als ik les geef Algemeen Nederlands en als er andere mensen die behoefte niet voelen, dat niet als een rijkdom ervaren, ja dan is dat hun zaak. Wie ben ik om daar beledigend over te doen. Ik voel mij er rijk door. Voilà.’
Boeiend zijn ook de gesprekken aan tafel en onderweg, de gesprekken waarbij we alles wat ons beweegt, uitwisselen. Hoe het is om te leven in een land dat nog steeds op zoek is naar zijn identiteit. Want zelfs het onze, dat luxelandje daarboven in het hoge noorden, maakt het zijn schrijvers niet gemakkelijk.
Ik vertel de taxichauffeur dat ik hier graag ben. Hij zegt dat hij dat begrijpt. Het is toch nergens zo goed als in zijn land. Ook al gaat er van alles fout. Het is wel zijn land, en dus het beste van de wereld.
‘Trouwens,’ zegt hij, ‘in jullie land gaat nog meer fout dan hier.’
‘Ja maar,’ begin ik.
‘No span,’ zegt hij. Dat hij me echt wel begrijpt. Het is mijn land, en dus het beste van de wereld.
Wat het niet is, denk ik. Als het om te beginnen eens eindelijk een regering vormde. Misschien bestaat mijn land niet eens meer bij thuiskomst. Maar ik glimlach. Glimlachen om wat is gaat altijd beter in Suriname.
Ik stap uit en loop een straat in. Ondertussen kijk ik naar de mooiste vrouwen van de wereld. Even gluur ik opzij naar mijn profiel in de etalage. Zelfs mijn rug hol maken en mijn zitvlak naar achter duwen haalt niks uit. En het geeft niet, het geeft helemaal niet. Het geeft zo weinig dat ik bijna luidop begin te lachen.
Want een mens is wie hij is. En de dagen dat dat volstaat zijn voor mij de allermooiste.
En hoe we dán bougeren.

(met dank aan Kaat Vrancken)




