Toen nog niet helemaal duidelijk was dat mijn religieuze opvoeding een hopeloze zaak was – dat moet rond 1980 geweest zijn -, kreeg ik Woord voor Woord: Het nieuwe testament cadeau. Niet van mijn ouders (beweren ze nu) – misschien was het een oom die vond dat zijn nichtje in dat net iets te seculiere gezin wel een beetje hulp kon gebruiken?
Ik blader in mijn kinderbijbel van toen en merk dat het vooral de illustraties van Bert Bouman zijn die een beklijvende indruk hebben gemaakt. Niet noodzakelijk om hun stichtende boodschap: de zoenende Maria en Jozef, een akelige blote man (die dan later een knuffel kreeg van Jezus), Talitha die genezen werd (maar er toch een beetje spookachtig bleef uitzien) en een man die ik er vroeger ziek en zielig vond uitzien maar die nu de knecht blijkt te zijn die niks met zijn talenten heeft aangevangen.

De recensies van toen spreken lovend over deze illustraties, over de uitbundige kleuren en speelse lijnen, over hun nuchtere en tegelijkertijd fantasievolle karakter, over de actualiseringen en de humor, en het feit dat ze vaak Nederlands en eigentijds zijn.
Eykman zegt daar in zijn voorwoord zelf over: “[De illustraties] helpen zo om duidelijk te maken wat we hopen met die verhalen. Om een voorbeeld te noemen: op die tekeningen zie je vaak allerlei voorwerpen die je eerder in Holland nu dan in Israël toen zou verwachten. Dat is niet om modern te doen of zo. Dat is omdat we inderdaad hopen dat de verhalen niet van ver weg en lang geleden zijn. We hopen dat die verhalen nu geldig en dichtbij zijn.”
Bijna twintig jaar na het verschijnen van de kinderbijbel schreef Eykman over zijn opzet: “Je kunt een kind met Sinterklaas een kant-en-klaar autootje geven. Dat is mooi. Maar je kunt een kind ook een legodoosje geven met op de buitenkant een foto van een auto en binnenin een gebruiksaanwijzing. Wanneer je precies doet wat op het papiertje staat, krijg je dat autootje dat op die foto staat. Je kunt een kind ook een hele zooi legoblokjes geven en dan zul je verbaasd zijn wat voor soort autootjes er uit tevoorschijn komen. Dat is wat ik met die verhalen wil. Je geeft ze een aantal blokjes mee.”
Precies om deze redenen wordt het verschijnen van deze kinderbijbel in 1976 (samen met een uitgave van het Oude Testament) door kinderbijbelspecialist Willem van der Meiden een sleutelmoment in de geschiedenis van de Nederlandse kinderbijbel genoemd.
Niet eerder werd een kinderbijbel gemaakt waarin zo duidelijk gemikt werd op een publiek dat met Bijbelverhalen onbekend is, zegt de vakliteratuur. Herlezend herken ik dat, in de nuchtere verteltrant bijvoorbeeld, “ontdaan van geur van heiligheid”, volgens Willem van der Meiden. Het is een gewoon verhaal over weliswaar buitengewone gebeurtenissen. Maar de ik-anno-2012, voor wie de kern van een (kinder)bijbel neerkomt op het doorgeven van cultureel erfgoed, mist toch wel een beetje het statige van het Nieuwe Testament in een klassiekere versie. Want de ‘Parabel van de talenten’ heeft hier als hoofdstuktiteltje ‘Het geld dat niet gebruikt werd’, en de talenten zijn in 1976 trouwens guldens geworden.
Of ik dat als kind ook vond? Of was ik juist blij met de begrijpelijkheid van de tekst? Ik heb geen flauw idee. Ik zou best wel even terug naar het verleden willen flitsen om te zien hoe ik met deze kinderbijbel omging. En ook om te zien wanneer ik mijn interesse begon te verliezen. Want om verder te breien op Eykmans mooie analogie met de lego-blokjes: ik was zo’n kind dat even met die legoblokjes speelde, maar ze daarna opzij schoof ten voordele van Playmobil.
(Eva Devos)
Meer lezen?
‘Zoo heerlijk eenvoudig’ : geschiedenis van de kinderbijbel in Nederland / Willem van der Meiden. – Verloren, 2009
Kinderbijbels zijn aanloopjes, meer niet / Karel Eykman, In: Zo goed als klassiek : bijdragen aan het gelijknamige symposium, gehouden 14 december 1994 aan de Katholieke Universiteit Brabant / Helma van Lierop-Debrauwer. – NBLC Uitgeverij, 1995, p. 31-36
[Dit, en meer, is te vinden in de bibliotheek van Stichting Lezen.]