Ljubljana, Slovenië
Van 14 tot 19 mei ruilde Joke van Leeuwen thuisstad Antwerpen voor Ljubljana, de hoofdstad van Slovenië, voor een werkbezoek. Daarover brengt ze hier verslag uit.
*
Een prachtige vlucht, de akkers onder me, de witte Alpen, en ik land op het bescheiden vliegveld van Ljubljana, een stad met zo’n 300.000 inwoners. Jitka en Anže halen me op, ze zijn zoon en schoondochter (en beiden medewerker) van het familiebedrijf Miš dat zijn ouders hebben gesticht en dat zo’n 95% van de prijzen, nominaties en waarderingen voor de beste kinderboeken van het land in de wacht sleept. Er is hier een kinderboekenprijs die ‘De Gouden Peer’ heet. Ze hebben me uitgenodigd nu mijn tweede boek in het Sloveens is verschenen. Na Čiv! (spreek uit als ‘tsjioe’) is er nu Ko je oče postal grm, oftewel Toen mijn vader een struik werd.
Slovenië is een land met twee miljoen inwoners (ze zeggen dat zij het enige land zijn met het woord love in hun naam). Er wordt graag en veel gelezen en de scholen hebben ruim voorziene bibliotheken. De boeken zijn er, vergeleken met België, wel duurder en de oplagen zijn niet echt groot. Er zijn geen onafhankelijke boekwinkels, ze behoren toe aan de grootste uitgeverijen, die hun eigen boeken vooraan leggen in de etalages.

Eerst bezoek ik uitgeverij Miš, in een dorp een eindje ten noordoosten van Ljubljana. Kantoor met uitzicht over een glooiend dal, besneeuwde bergen in de verte. Ik word heel hartelijk verwelkomd. Daarna naar het hotel in hartje hoofdstad, dichtbij de rivier de Ljubljanica, met wandelpromenades erlangs en veel terrasjes. Een kasteel torent boven de stad uit. Jitka gidst me en biedt een Sloveense lunch aan, stevige kost, grote porties. Ook de volgende dagen ontbreekt het me aan niets.
Diezelfde avond ontmoet ik Katuša, mijn vertaalster. Haar Nederlands is meer dan uitstekend. We praten over de Nederlandse taal, over het vertalen, over onze landen, en ik hoor dat er hier ook Sinterklaasfeest wordt gevierd, maar niet met zwarte pieten maar met duiveltjes, iets wat zij als kind nogal angstaanjagend had gevonden. De architect Jože Pečnik, blijkt bepalend te zijn geweest voor de aanblik van Ljubljana. Hij ontwierp onder meer de driedelige brug over de rivier. Ook in Praag heeft hij veel sporen nagelaten.
De volgende ochtend, dinsdag is het, vindt de officiële opening plaats van het kinderboekenfestival dat deze week losbarst. De first lady van Slovenië is erbij aanwezig, de burgemeester van de stad Radomlje, benoorden Ljubljana, waar de opening plaatsvindt en de Nederlandse ambassadeur. De zaal zit vol twaalf- tot vijftienjarigen. De basisschool duurt hier negen jaar, op hun vijftiende gaan de leerlingen naar de middelbare school die vier jaar duurt. We redden ons hier uitstekend met Engels want de jonge generatie spreekt en verstaat het goed. Ook Katja is aanwezig, namens de Internationale Jeugdbibliotheek in München die kinderboeken vanuit de hele wereld herbergt. De nationale televisie maakt opnames.

Er is een optreden van de hier heel bekende performer Andrej Rozman Roza, ik hoor dat het rijmt wat hij brengt, het is expressief, na afloop legt hij uit dat hij onder meer oude Sloveense teksten vernieuwt. Daarna is er een persconferentie in het Literatuurhuis in Ljubljana. Ik tel achtentwintig belangstellenden. Behalve mijn boek worden er nog twee andere titels van Sloveense schrijvers en illustratoren voorgesteld. Als ik daarna signeer is men verbaasd dat ik linkshandig ben. Linkshandigen van mijn leeftijd en een stuk jonger moesten hier rechts leren schrijven. Ik vraag me af of ik ooit was blijven tekenen als ik dat had gemoeten.
‘s Middags heb ik een bijeenkomst met de studenten Nederlands op de universiteit. Eerst word ik hartelijk verwelkomd door de decaan (een bioloog die ook schildert) en de vicedecaan (een historica) die mij een tas vol geschenkjes aanbieden. Dan ga ik met de enige docente, Anita, naar het lokaal waar de eerste- tot en met derdejaars van de afdeling Nizozemske jezik, Nederlandse taal, al op ons wachten. Een klas vol. Ook de ambassadeur komt erbij zitten. De studenten hebben om mij te verrassen allemaal een fragment uit mijn werk vertaald en dat gebundeld in een boekje. Ook de eerstejaars kunnen me goed volgen al zijn ze nog wat aarzelend om in het Nederlands vragen te formuleren.
Woensdag. Het is koud, tien graden, en bewolkt. We vertrekken naar Kamnik en spreken voor zo’n tweehonderd leerlingen, weer tussen de twaalf en vijftien jaar. Het is een school waar veel aan muzische vakken wordt gedaan. We krijgen drie dwarsfluitistes te horen en een meidenkoor dat uitstekend zingt, in het Sloveens en het Engels, de Angelsaksische en Noord-Amerikaanse invloed is everywhere. Ik vraag me af of het rijpe gedrag van de kinderen te maken heeft met het feit dat ze de oudste leerlingen van hun school zijn, in plaats van, zoals bij ons, de jongsten die zich moeten handhaven tussen de ouderen.
In Radovljica ontmoeten we een veertigtal jongeren, ze zijn uitgekozen omdat ze goede lezers zijn. Er zijn in Slovenië programma’s om het lezen te bevorderen, en ook de bibliotheek waar we nu zijn beland doet daar aan mee, aan de internationale Andersennacht, en leesclubs, ook voor en met jonge schoolverlaters, en in de zomer is er outdoor reading: bibliotheekboeken zijn uitleenbaar aan het zwembad en aan het meer van Bled.
Irina van uitgeverij Miš leidt de bijeenkomsten, ze straalt enthousiasme uit en geloof in de boeken die ze kwaliteitsvol vinden. Dat is mooi om te zien.
Donderdag. We bezoeken de flinke bibliotheek van een school in Sežana in het westen van het land. Twee goed gevulde lokalen: poëzie, proza, naslagwerken, tijdschriften. Er zijn ook leerlingen van een andere school gekomen. Dit zijn de beste, wordt ons gezegd, en ze zijn weer van de bovenbouw, twaalf tot vijftien jaar. Eerst krijgen we een inleiding door een paar leerlingen met gedichten en uitleg over de dichter naar wie de school is genoemd, Kosovel, die in 1926 stierf toen hij nog maar tweeëntwintig jaar was, en toen al zo’n duizend gedichten had geschreven. Alle leerlingen blijken het Engels weer prima te volgen en ze stellen vragen die hout snijden.
Een journaliste laat me zeventien diepgravende vragen bezorgen, of ik die wil beantwoorden, over de toekomst en de wereld en de cultuur.
Vrijdag. Om negen uur een interview voor het dagblad Delo. En dan naar een boekenfeest in een park in Domžale. Het is lekker weer. De journaliste van de schriftelijke vragen blijkt een voormalig parlementslid en burgemeester die haar leven heeft omgegooid en nu onder meer haar eigen groente kweekt. En die, zoals velen in het buitenland, zegt dat Nederland zo open en vooruitstrevend was en nu niet meer.
Aan de jonge mensen die buiten op de trappen hebben plaatsgenomen, vertel ik wat ik al vaker vertelde: dat het boek dat ik schreef een keer geschreven moest worden, want hoe mijn grootouders, ouders en ikzelf te maken hadden met vluchtelingen, uit België, uit Rusland, uit West-Nederland, uit Eritrea, uit Zuid-Afrika, uit Bosnië. De uitgeefster vertelt deze naoorlogse generatie over de korte oorlog in Slovenië, na de onafhankelijkheidsverklaring van 1991. Hoe ze in Ljubljana in haar appartement stond – haar gezin was al ergens in de bergen – en dat ze dacht: misschien is het de laatste keer dat ik hier kan zijn, wat neem ik nu mee op de fiets, wat is het belangrijkst om nu mee te nemen?
Een boek dat vertelt waarom boeken zo bijzonder zijn. Zo simpel kan het zijn. Met niets meer dan een eenvoudige zin en een prachtige illustratie op elke pagina.










Het was zijn Pentagram-cyclus die me echt overstag deed gaan. Dat moesten “vijf griezelboeken rond vijf paranormaal begaafde kinderen uit de vijf continenten” worden (Lexicon Jeugdliteratuur). Er verschenen er uiteindelijk vier, allemaal bij Facet: Kernenergie voor de duivel (1986), De nacht van de schorpioen (1989), De zilveren citadel (1989) en De dag van de draak (1991). Een vijfde deel kwam er niet. (**) Die vijf kinderen – Martin in Pentagram 1, Pedro in Pentagram 2, de telepathische tweeling Jeremy en Nicholas in Pentagram 3 en tot slot Will in Pentagram 4 – worden zich bewust van de bijzondere krachten die ze hebben. Met zijn Vijven kunnen ze de wereld van de satanische Ouden redden.