Heel lang geleden schreef ik een briefje naar huis en liep naar buiten. Een eindje verderop in de straat stond een brievenbus. Ik hoefde mijn grootvader niet te zeggen dat ik wegging – in het stille huis weerklonk luid zijn gesnurk.
De bomen aan weerszijden van de straat vormden een beweeglijk groen dak. Het was gewoon mooi. Hoewel het nog ochtend was, drong de zon alweer warm tussen de bladeren door. Er was niemand op straat – heel stil. Ik werd er rustig van, zoemde een beetje en liep zo langzaam mogelijk terug.
Zo wit als het huis vanbuiten was, zo donker was het er binnenin. Het was een vreemd huis. Er zat verdriet in de muren. Mijn grootmoeder Madeleine was er doodgegaan, in het bed met de vuilroze sprei. In de kamer boven, aan het eind van de gang.

Ik nam een reep chocola uit de keukenkast. Op vakantie bij mijn grootvader mocht ik gaan en staan waar ik wilde, en eten en drinken waar ik zin in had. Dat was ronduit heerlijk. Ik ging in de woonkamer op mijn plekje aan tafel zitten en pakte mijn boek. Plots een harde klop op het raam, vlak achter mij. Met bonzend hart keek ik om.
Een morsige man staarde me aan. Hij stootte onsamenhangende keelklanken uit en gebaarde heftig naar mij. Speeksel liep langs zijn kin over zijn groezelige hemd. Ik lachte van opluchting. Het was Tsjeden maar. Op zijn vreemde gezicht verscheen een grote grijns toen ook hij mij herkende.
Ik liet hem binnen en liep met hem naar de garage. Met harde, onbeheerste geluiden probeerde hij mij iets duidelijk te maken. Ik begreep er niets van. Mijn grootvader was de enige mens die Tsjeden verstond en kon vertalen. Ik haalde mijn schouders op en trok mijn wenkbrauwen in een vraag. Zijn antwoord was een schokkende lach en een natte spetter op mijn wang. Hij greep de stang van de grasmaaier beet en zonder om te kijken, verdween hij met de machine naar buiten. Ik rende naar de keuken en pakte een papieren doekje. Buiten sloeg met veel gesputter de motor aan.

Het geluid wekte mijn grootvader. In een lichtblauw onderhemdje en een kreukelige grijze broek kwam hij de keuken binnen. Hij begon verward te rommelen in een la. Ik leunde wat tegen de deurstijl en bekeek hem tersluiks. Het hemdje spande om zijn buik en toonde een stukje van zijn grijze borsthaar. Zijn vel dat nog nooit de zon had gezien, was wit en rimpelig en stak bleek af tegen zijn roodverbrande hoofd en armen. Zijn witte kuif stond alle kanten op, zijn gezicht zag er een beetje katerig uit. Afwezig keek hij me aan, alsof hij totaal niet meer wist wie ik was en waarom ik me in zijn keuken bevond. Ik moest vanbinnen zachtjes lachen en keek afwachtend terug. Toen schoot hij luid in de lach. ‘Goeiemorgen, Siskakaatje!’ Hij roefelde met beide handen stevig door zijn haar, hoestte eens hartgrondig zijn diepe rokershoest en begon resoluut de tafel te dekken voor het ontbijt.