Donderdag 31 januari 2008
(avond)

Toen ik een maand geleden dit dagboek begon, kon ik u echt niet voorspellen wat voor tijd het met mij zou worden. Nu geldt hetzelfde voor u: u weet ook niet wat voor tijd het zonder mij zal worden. En u kunt zich waarschijnlijk ook niet voorstellen naar welke plek ik terugga, morgen. Van die plek heb ik dan weer wél een idee. Ik heb een hoofdstuk afgesloten, of nee: het hoofdstuk loopt door, omdat het een deel van mezelf is natuurlijk, maar er begint wel een nieuw hoofdstuk dat niet op het voorgaande lijkt, omdat er een stuk van de wereld uit wegvalt, namelijk de stad waar ik woon.
Telt u mee af?
(4) Ik ga morgen naar zee. Ze voorspellen veel wind aan de kust, en dat vind ik prima. Ik rij naar Zeeland, trek laarzen aan (de laarzen die ik nota bene twee jaar geleden gekregen heb toen ik stadsdichter werd) en ga letterlijk uitwaaien. U mag bellen, u mag mailen, ik ben er niet. Ik ben er twee jaar geweest, toegankelijk, bereikbaar, bereid, maar nu een tijdje niet meer. Ik ga terug naar mezelf. (3) Ik ga naar Frankrijk, waar Broere in april verschijnt. De uitgeverij heeft mij het omslag bezorgd, er staat precies dezelfde foto op als die waarmee mijn website tegenwoordig opent. Het is grappig dat ze die foto als omslag gebruiken. Als ik het Franse omslag zie, besef ik weer eens dat een foto een moment vastlegt. In Frankrijk denken ze straks: dat is dus Bart, terwijl het de Bart is van even geleden, bij een fotosessie op de Draakplaats in Antwerpen, met de beslommeringen die ik toen had en de persoon die ik toen was. (2) Het hoofdstuk van de stadsdichter heeft twee jaar geduurd, wat betrekkelijk lang is — u moet maar eens bij Alma Mahler te rade gaan, een paar dagen geleden in dit dagboek, hoe zij erover denkt. Voor mij was het de perfekte duur om op een beetje vreemde manier op adem te komen, te beseffen waar ik thuishoorde en naartoe wilde. Ik weet beter dan vroeger wat ik absoluut niet meer in mijn leven duld, en vooral wie ik niet meer in mijn leven wil. Bewust heb ik op deze plek mijn laatste eenendertig dagen als stadsdichter gedeeld met anderen. Deze plek bestaat, zoals er meer plekken op het web bestaan, maar deze plek valt nog te weinig op. Tenminste: ik weet niet of de mensen deze plek vanzelf vinden. Het is niet de blog van Knack of Radio 1, daar had ik mijn dagboek ook mediatiek kunnen bijhouden. Neen: dit is de blog van de kinder- en jeugdliteratuur, de blog die buiten beeld valt, om niet te zeggen dat ze schaduw vangt, en daarom juist heb ik hier mijn laatste eenendertig dagen gevierd. Overigens, over dat buiten beeld vallen: het is een kwestie van licht willen. Niet vragen, niet eisen, niet halfslachtig, niet twijfelend, maar met de gedachte: het is haast schandalig dat mensen deze plek niet vanzelf vinden. Drie jaar geleden heb ik een stuk voor een Nederlandse krant geschreven, een stuk dat overgenomen is door een Vlaamse krant, en dat is me toen door een paar mensen kwalijk genomen omdat ik volgens hen licht eiste. Ik neem van toen geen woord terug, en ik ga er ook geen woord van herhalen. Ik eis niks, ik vind het gewoon evident dat er licht op de kinder- en jeugdliteratuur valt. Ik ga er zelfs geen discussie meer over beginnen. Ik zing net als drie jaar geleden nog altijd wat Madonna zingt (want erg veel is er nog niet veranderd): Time goes by so slowly for those who wait. No time to hesitate. Those who run seem to have all the fun. I’m caught up. Ik heb geen zin om opgehouden te worden. Ik heb geen tijd te verlullen. Hier is de (jeugd)literatuur, te nemen of te laten. (1) Over negen dagen, als er een beetje ademruimte is geweest, reis ik mee met Saint-Amour. Elf avonden op rij zijn dat, maar dat vind ik prima, want dat is weer een soort van cocon waar ik in kan kruipen, mee kan gaan. En als Saint-Amour voorbij is, op 20 februari 2008, verdwijn ik echt.