Vlak voor mij, vlak voor mijn werktafel, zit een venster. Een groot venster waar aan de randen nog steeds plakband van het schilderen zit. Het kijkt uit op onze traphal. En ook daar zit ook weer een raam in die naar buiten kijkt. Eigenlijk kijkt alles door alles heen. De bomen door de stiften. De papierresten door de lantaarnpalen. En de buren door ons.

Gordijnen zouden een oplossing zijn. Maar gordijnen vind ik zo moeilijk. Ik kan zoiets niet kiezen, niet meten, laat staan kopen. Dus blijft alles gewoon open. Ik zie buren ramen wassen, brievenbussen leegmaken, vertrekken en weer thuiskomen, opgetut, in peignoir, blij of slechtgezind,met het hele gezin of alleen. Bij valavond worden het donkere vlekjes en als alles donker is, dan pas zijn ze weg.

Bij ons begint het nu pas. Trap op trap af. Licht aan, licht uit. Pampertjes, badjes, pantoffels. Marius én Rose op mijn arm. De wasmand op mijn hoofd. Net uit bad in joggingbroek. Rose in bed maar toch nog honger. Marius wil op computer naar de Barbapapa’s kijken. Oef.
Iedereen slaapt of zingt nog wat in bed. Mijn man en ik zitten in onze de werkkamer van glas. Ik kan beter werken als alles stil is. Geen muziek, geen praatjes en geen bewegende buren. Overal brand licht: in de gang tegen de enge dromen, in de keuken tegen de inbrekers en in de werkkamer voor de hele straat. En toch voel ik me niet bekenen. Ik schilder en pak misschien wel beter als ik een beetje geviseerd word. Het idee dat de hele straat ziet wat ik teken, hoeveel cola light ik drink en hoelang mijn pauzes zijn, kan mij niet deren.