Het avontuur van onze pekinees duurt veel te kort.
En toch ook weer te lang.
Het is een verhaal met een begin en een einde, maar het middenstuk is veel te kort.

In het circus weten ze niet wat met hem gedaan. Als levende kanonskogel is hij niet meer geschikt. Hij slaakt een zeurderig geklaag uit dat het publiek afschrikt.
Ze schieten hem dan maar zo ver mogelijk weg. Hij suist door de lucht, hij weet niet hoe lang het duurt, misschien wel een dag en een nacht en een dag en een nacht, om tot stilstand te komen in een donkere put. Er is niemand, alleen wat modder en ondoordringbare duisternis. Het is beangstigend maar er is geen gevaar.

Op de tast maakt hij er het beste van. Hij installeert zich zo goed en zo kwaad het gaat.
Slurpt een beetje regenwater. Hij droomt van thuis. Van een likje op zijn snuit. Circusroem is even niet aan hem besteed.
Hij mijmert over de Italiaanse zon die ooit zo heerlijk op hem scheen.
Zo valt hij in slaap. Hij is niet ontevreden.